Copaxone is een geneesmiddel dat wordt gebruikt voor de behandeling van terugkerende vormen van multiple sclerose (MS). Het heeft invloed op de manier waarop het immuunsysteem van uw lichaam werkt en het wordt geclassificeerd als een immunomodulerend middel. Men denkt dat de symptomen van MS veroorzaakt worden door een stoornis in het immuunsysteem van het lichaam. Dit leidt tot de vorming van inflammatoire plaques in de hersenen en het ruggenmerg. Copaxone wordt gebruikt om het aantal aanvallen van MS (recidieven) te verminderen. De werkzaamheid is niet bewezen als u een vorm van MS zonder recidieven of met weinig recidieven hebt. Copaxone zou geen effect hebben op de duur van een MS aanval of op de ernst van een aanval die u doormaakt. Het wordt gebruikt om patiënten te helpen die zonder hulp kunnen lopen. Copaxone kan ook gebruikt worden bij patiënten die voor de eerste keer symptomen hebben gehad die wijzen op een hoog risico op het ontwikkelen van MS. Uw arts zal alle mogelijke redenen onderzoeken die het optreden van deze symptomen verklaren, voordat u behandeld wordt.
Gebruik dit geneesmiddel altijd precies zoals uw arts u dat heeft verteld. Twijfelt u over het juiste gebruik? Neem dan contact op met uw arts of apotheker. Bij volwassenen en adolescenten van 12 jaar en ouder is de geadviseerde dagdosis één voorgevulde spuit (20 mg glatirameeracetaat), onderhuids (subcutaan) toegediend. Het is zeer belangrijk om Copaxone correct te injecteren: Uitsluitend in het onderhuids weefsel (subcutaan gebruik) (zie: "Instructies voor gebruik"). In de dosis die uw arts u heeft voorgeschreven. Gebruik alleen de dosis die uw arts u heeft voorgeschreven. Gebruik dezelfde spuit nooit meer dan eenmaal. Overgebleven product of afval moet weggegooid worden. De inhoud van Copaxone voorgevulde spuiten niet mengen of gelijktijdig toedienen met een ander product. De oplossing niet gebruiken als ze partikels bevat. Gebruik een nieuwe spuit. De eerste keer dat u Copaxone gebruikt, zult u alle instructies krijgen en staat u onder toezicht van een arts of verpleegster. Zij zullen u bijstaan terwijl u de injectie uitvoert en gedurende een half uur erna, om er zeker van te zijn dat u geen problemen ontwikkelt. Instructies voor gebruik Lees deze instructies zorgvuldig voordat u Copaxone gebruikt. Voor u de injectie start, zorg ervoor dat u alles hebt wat u nodig hebt: Een blisterverpakking met een voorgevulde spuit Copaxone Een container voor gebruikte naalden en spuiten. Neem voor elke injectie slechts één blisterverpakking met een voorgevulde spuit uit de verpakking. Bewaar alle resterende spuiten in de doos. Als uw spuit in de koelkast werd bewaard, haal de blisterverpakking met de spuit minstens 20 minuten voor de injectie uit de koelkast zodat ze op kamertemperatuur kan komen. Was uw handen grondig met water en zeep. Als u een injectie-apparaat wenst te gebruiken om uw injectie uit te voeren, dan kan het CSYNC-apparaat worden gebruikt met Copaxone. Het CSYNC-apparaat is alleen goedgekeurd voor gebruik met Copaxone en is niet getest met andere producten. Raadpleeg de gebruiksaanwijzing die bij het CSYNC-injectieapparaat is geleverd. Kies de plaats van de injectie binnen de aangeduide zones, aan de hand van de diagrammen. Er zijn zeven mogelijke zones op uw lichaam om de injectie uit te voeren: Zone 1: Buik rond de navel, injecteer niet binnen een ruimte van 5 cm rond de navel. Zone 2 en 3: dijen (boven je knieën). Zone 4, 5, 6 en 7: achterkant van de bovenarmen en de bovenste heupen (onder je middel). In elke injectiezone zijn er verschillende injectieplaatsen. Kies elke dag een andere injectieplaats. Dit zal de kans op irritatie of pijn op de injectieplaats verminderen. Verander van injectiezone en ook van injectieplaatsen binnen eenzelfde zone. Gebruik niet steeds dezelfde plaats. Opmerking: injecteer niet in een zone die pijnlijk of verkleurd is, noch in een zone waar u harde knobbels of bulten voelt. Er wordt aanbevolen om de injectieplaatsen volgens een bepaald schema af te wisselen en dit te noteren in een dagboek. Op bepaalde plaatsen van uw lichaam kan het moeilijk zijn om de injectie zelf uit te voeren (zoals de achterkant van uw arm). Als u deze plaatsen wil gebruiken, kan u hulp nodig hebben. Hoe injecteren: Neem de spuit uit zijn beschermende blisterverpakking door de blisterfolie eraf te trekken. Verwijder de dop van de naald. Verwijder de dop niet met uw mond of tanden. Knijp de huid zachtjes samen met de duim en de wijsvinger van de vrije hand (Figuur 1). Breng de naald in de huid zoals getoond in Figuur 2. Injecteer het geneesmiddel door de zuiger met vaste hand naar beneden te duwen tot de spuit leeg is. Trek de spuit en de naald er recht uit. Gooi de spuit weg in een veilige afvalcontainer. Gooi de spuiten niet weg met het huishoudelijk afval maar gooi ze zorgvuldig weg in naaldcontainers zoals aanbevolen door uw arts of verpleegster. Als u de indruk hebt dat het effect van Copaxone te sterk of te zwak is, raadpleeg uw arts. Heeft u te veel van dit geneesmiddel gebruikt? Indien u meer Copaxone
Welke stoffen zitten er in dit geneesmiddel? De werkzame stof is glatirameeracetaat. 1 ml oplossing voor injectie (de inhoud van een voorgevulde spuit) bevat 20 mg glatirameeracetaat overeenkomend met 18 mg glatirameer. De andere stoffen zijn mannitol en water voor injecties.